Een pleidooi voor een subjectieve benadering van astrologische kennis

Het aloude debat

In het weekend van 15/16 februari 2020 was het weer eens zover: een serieuze krant, NRC-Handelsblad, besteedde aandacht aan astrologie. Dat het zo populair is onder jonge, hoogopgeleide vrouwen en zo. De reacties op het artikel (in het abonnee gedeelte van de kranten-app) lieten zich raden: hoe kan het toch dat rationele mensen zulke irrationele, onwetenschappelijke onzin geloven?!

Dat astrologie niet wetenschappelijk is, is een kritiek van alle tijden. De reactie hierop van astrologen is, mijns inziens, tweeledig. Een deel van de astrologen probeert deze kritiek te bestrijden door zo wetenschappelijk mogelijk te werk te gaan. Een ander deel trekt zich de kritiek niet aan, omdat men in zichzelf de waarde of waarheid van astrologie ervaart. De eerste groep zou men de objectivisten kunnen noemen, de tweede groep de subjectivisten. Op het meest fundamentele niveau verschillen ze in hun beeld van de werkelijkheid en hoe die gekend kan worden. Filosofen spreken over vraagstukken van ontologie en epistemologie: wat is de realiteit van astrologie en hoe kunnen we die leren kennen?

In dit artikel ga ik dieper in op beide benaderingen en zal ik betogen dat de objectieve benadering van astrologie een problematische is. Veel astrologen hanteren dit perspectief, vaak zonder het zelf te beseffen. De subjectivisten hebben betere kaarten als het om de kennisclaim van astrologie gaat. Hun ‘zwakte’ is echter, dat ze minder dan de objectivisten geneigd lijken de grondslagen van hun ervaring te onderzoeken en problematiseren.

Objectieve versus subjectieve benaderingen

Objectieve benaderingen van astrologie gaan ervan uit dat er een realiteit bestaat buiten het kennende subject -in ons geval: de astroloog-, waarover we waarheidsuitspraken kunnen doen. In het geval van astrologie betreft het te kennen object de cycli van planeten en sterren aan de hemel, hun onderlinge verhoudingen en de relatie met gebeurtenissen op aarde. Over dit object kunnen astrologen allerhande uitspraken doen die als waarheid gedeeld kunnen worden met andere astrologen. Bijvoorbeeld de uitspraak “in deze horoscoop staat de planeet Mars twee graden verwijderd van de Zon” is zo’n uitspraak. Kenmerkend voor deze benadering is dat de toets op de waarheid ligt in het object waarover een uitspraak wordt gedaan.

Subjectieve benaderingen van astrologie hanteren een ander uitgangspunt, namelijk dat de waarheid van een object alleen kan worden vastgesteld in/door het subject. Stel, ik doe de uitspraak: “bosbessenijs is het lekkerste ijs dat er is”. Deze uitspraak is waar, in ieder geval voor mij. En wie weet voor nog een hele zwik mensen. Er zullen echter heel veel mensen zijn voor wie deze uitspraak niet waar is, bijvoorbeeld alle mensen die niet van ijs houden. Het fundamentele onderscheid van deze subjectieve waarheid met de hiervoor genoemde objectieve waarheid is, dat de waarheid hier niet buiten het kennende subject kan worden vastgesteld.

Filosofische grondslag

Beide benaderingen zijn terug te voeren op filosofische grondprincipes. De objectieve benadering is terug te voeren op het Aristoteliaanse kennismodel: kennis ontstaat door waarnemingen te doen in de materiële wereld en daarin regelmatigheden te ontdekken. Dit is nadien het dominante kennismodel geworden, vandaar dat dit ook wel het wetenschappelijke model wordt genoemd. De subjectieve benadering is (o.a.) gebaseerd op Plato’s denkwijze. Deze benadering stelt dat kennis van de materiële realiteit ondergeschikt is aan kennis van de geestelijke realiteit. Immers, zo wordt in deze benadering gesteld, de materiële realiteit kenmerkt zich door vergankelijkheid: geboorte, groei, verval en dood, terwijl in de geestelijke realiteit eeuwige waarheden gevonden kunnen worden. De cyclus waarin de voornoemde verschijnselen van vergankelijkheid optreden, is een voorbeeld van zo’n geestelijke, eeuwige waarheid.

Geestelijke realiteit kan alleen door mensen gekend worden, want alleen die beschikken over (of hebben toegang tot) bewustzijn waarmee deze te kennen valt. Volgens Plato en andere denkers binnen deze traditie bestaat er op geestelijk vlak dus geen kennis buiten het kennende subject, in ons geval de astroloog.

Beide benaderingen van astrologie waren al aanwezig in de oudheid en hebben altijd naast elkaar bestaan. Claudius Ptolemaeus, de multi-geleerde astronoom-astroloog die leefde in de 1e en 2e eeuw na Christus, is een voorbeeld van iemand die de objectieve benadering aanhing. De focus in zijn werk ligt op het vaststellen van empirische regelmatigheden in de bewegingen van planeten en sterren en deze zo precies mogelijk koppelen aan gevolgen die op aarde kunnen worden waargenomen (een focus op voorspellen dus). Hij was wars van astrologie die niet een basis vindt in de standen, bewegingen en verhoudingen van zichtbare planeten en sterren. In zijn standaardwerk Tetrabiblos spreekt hij in dit verband  letterlijk over ‘nonsens’.[i]

In de tijd dat Ptolemaeus leefde, was echter ook al het Hermetische gedachtegoed populair onder astrologen. In dit gedachtegoed ligt de nadruk niet op verschijnselen in de stof, maar juist op de aard van de geestelijke realiteit. Het idee dat alle stoffelijke manifestaties voortkomen uit één geestelijke realiteit is een typisch Hermetisch idee. Denk bijvoorbeeld aan het Hermetische adagium dat elke astroloog kent: ‘zo de kosmos boven ons is, zo is de wereld beneden’ (afkomstig uit de Smaragden tafel). De Hermetische benadering is bij uitstek een subjectieve te noemen, omdat de focus hier ligt op de geestelijke realiteit en hoe de mens deze  kan leren kennen. In het Hermetische gedachtegoed is de mens namelijk het enige bezielde wezen dat de geestelijke wereld kan leren kennen, via het bewustzijn.[ii]

Laten we beide benaderingen eens nader onder de loep nemen. In onderstaande uitwerking presenteer ik ze als ideaaltypen, om zo het onderscheid tussen beide zo scherp mogelijk te kunnen schetsen.

Wat is de aard van de astrologische realiteit en hoe kan die gekend worden?

Beide benaderingen houden zich bezig met de relatie tussen de sterrenhemel en gebeurtenissen op aarde, de wijze waarop ze hiernaar kijken verschilt echter fundamenteel.

In de objectieve benadering ligt de nadruk op het bestuderen van de fysieke realiteit van de hemellichamen, hun plaatsing aan de hemel, hun bewegingen en hun onderlinge verhoudingen. Deze realiteit is objectief, want zintuiglijk waarneembaar, en daardoor ook deelbaar. Door observeren en redeneren (gebruikmaken van de rede) is het mogelijk om patronen te ontdekken en om vast te stellen hoe de hemellichamen invloed uitoefenen op de gebeurtenissen op aarde. Er wordt doorgaans (dus) causaliteit verondersteld tussen fenomenen in de kosmos en gebeurtenissen op aarde.

De astrologische waarheid wordt vastgesteld door de gebeurtenissen op aarde zo goed mogelijk te voorspellen op basis van astronomische constellaties. Zoals Bernadette Brady het ergens verwoordde: ‘astrologen zijn ten principale voorspellers, of ze het nu willen of niet’. Astrologisch onderzoek houdt in deze benadering in: het vinden van patronen en regelmatigheden in empirische data. De astroloog verzamelt bijvoorbeeld horoscopen van mensen met een medische aandoening of mensen die seriemoordenaar zijn, en zoekt vervolgens naar astrologische constellaties die ze delen.

In de subjectieve benadering ligt de focus niet op de fysieke realiteit van de sterrenhemel maar op de geestelijke realiteit van astrologische symboliek. In deze benadering zien we meer nadruk op het werken met mythen, die eveneens een geestelijke realiteit uitdrukken. Observeren en redeneren zijn niet de meest geëigende manieren om de realiteit van symbolen te leren kennen. De mens beschikt echter over twee alternatieve vormen van kennen die in modern taalgebruik vaak worden aangeduid als voelen en intuïtie. Terzijde: herken in dit viertal -observeren, redeneren, voelen en intuïtief kennen- de vier elementen aarde, lucht, water en vuur. In de oudheid bestond de notie van intuïtie zoals wij die kennen niet. Het ging toen veeleer om een ‘direct weten’, veroorzaakt door Goden die de mens influisteren. Intuïtie is daarmee een geestelijke vorm van kennen bij uitstek. De Engelse astroloog en filosoof Geoffrey Cornelius benadrukt de rol van verbeelding in het kennen van astrologische symboliek.[iii] Dan gaat het niet om fantaseren, maar om verbeelding als een vorm van waarneming waarmee geestelijke realiteiten, zoals astrologische symboliek, gekend kunnen worden. Intuïtie en verbeelding worden van oudsher beschouwd als vormen van waarneming die inzicht geven in de geestelijke realiteit. Na de verlichting zijn ze echter op de achtergrond geraakt, omdat de kennis die eruit voortkomt aan de persoon gebonden is, dat wil zeggen subjectief is.

Aangezien de nadruk binnen de subjectieve benadering ligt op de geestelijke in plaats van de fysieke realiteit is niet causaliteit maar analogie het centrale mechanisme van astrologie. Een analogie duidt op een uniforme geestelijke realiteit die zich tegelijkertijd in uiteenlopende materiële vormen manifesteert. De waarheid kan in deze benadering niet objectief worden vastgesteld, want ze is gebonden aan de astroloog die de tekens duidt en de analogie ‘ziet’. Met andere woorden, om een astrologisch feit vast te stellen is geestelijke activiteit nodig. Zonder deze activiteit bestaat astrologie niet. Astrologisch onderzoek zoals hiervoor genoemd bij de objectieve benadering ontbeert dit aspect.

Voor- en nadelen van de objectieve benadering

De objectieve benadering  is om een aantal redenen aantrekkelijk. Objectiviteit stelt astrologen in staat consensus te bereiken over hoe je tot betrouwbare kennis komt en wat goede astrologie is. Het maakt kennis toetsbaar en deelbaar. Sommige beoefenaren vinden objectiviteit prettig, omdat dit astrologie een wetenschappelijk cachet geeft.

Tegenover deze voordelen kent de objectieve benadering ook belangrijke problemen. Zo barst de astrologie van de symbolische, d.w.z. niet-fysische realiteiten. Denk bijvoorbeeld aan de tropische dierenriem met zijn nette partjes van dertig graden, uiteenlopende huizensystemen, symbolische directies, et cetera. Voor al deze symbolische realiteiten is géén plaats in een astrologiebeoefening die enkel de fysieke, astronomische realiteit als uitgangspunt neemt.

Een tweede beperking van deze benadering is dat ze niet in staat is om tot objectieve, eenduidige criteria te komen voor de interpretatie van astrologische symboliek.[iv] Een objectieve benadering pretendeert dit wel te doen. De realiteit van de astrologiebeoefening is juist dat er een groot aantal tradities bestaat, oud en nieuw, met allemaal eigen regels en systemen, die niet of nauwelijks met elkaar communiceren. Er bestaat onder astrologen hoe dan ook geen consensus over hoe je tot astrologische kennis komt, integendeel.

Een derde, belangrijke beperking van deze benadering is, dat astrologie als vakgebied er de afgelopen tweeduizend jaar niet in is geslaagd haar objectieve kennisclaim waar te maken. Als er één constante is in de geschiedenis van de astrologie dan is het wel deze: dat critici van Cicero in de 1e eeuw tot Geoffrey Dean in de 20e eeuw telkens opnieuw hebben aangetoond dat de astrologie geen empirische voorspellingen kan produceren die standhouden in kritische empirische toetsing. Over dit onderwerp valt veel meer te zeggen dan in het bestek van dit artikel mogelijk is, maar wie een kritische blik werpt op alle beschikbare kennis moet concluderen: de empirische status van astrologie is niet geweldig en dat is een understatement.[v]

Voor- en nadelen van de subjectieve benadering

Een belangrijk voordeel van de subjectieve benadering is dat deze beter dan de objectieve benadering lijkt aan te sluiten bij de beleving van astrologen: er is vaak een innerlijk weten over de werking en waarheid van astrologische symboliek.

Een ander voordeel is dat deze benadering ook beter aansluit bij astrologische praktijken die geen gebruik maken van astronomische feiten, zoals het werken met astrokaarten of -dobbelstenen. Het duiden van astrologische symboliek staat hier immers los van concrete constellaties aan de hemel. Geoffrey Cornelius heeft een vergelijkbaar punt gemaakt ten aanzien van het duiden van uurhoeken, waarbij het fenomeen ‘geboortetijd’ loskomt van zijn objectieve, fysische dimensie. Ook het fenomeen van het betekenisvol duiden van een ‘verkeerde’ horoscoop (achteraf klopt bijv. de geboortetijd niet) hoort in dit rijtje.

De subjectieve benadering kent echter ook problemen. Door de nadruk op subjectieve waarheden, vervalt de mogelijkheid om de kennisclaim van de astroloog extern te toetsen. Immers, het is zijn/haar waarheid. Dit is geen gering probleem. Het project van de verlichting, in de 17e en 18e eeuw, was er vooral op gericht om de exclusieve claim op de waarheid door de kerk te vervangen door een waarheid die besproken, bediscussieerd en gedeeld kan worden. Vanuit dit perspectief kan de subjectieve kennisclaim van de astroloog worden beschouwd als een stap terug in de tijd: we moeten immers maar (weer) vertrouwen op zijn of haar zelfverklaarde autoriteit.

Een gerelateerd probleem is dat astrologen onderling geen gemeenschappelijk referentiekader hebben om goede van minder goede astrologie te onderscheiden, om überhaupt een astrologisch discours te hebben. Astrologen vormen willekeurige verzamelingen van personen die dezelfde ijssoort voor de lekkerste houden, om de beeldspraak van hiervoor aan te houden. Uitwisseling tussen liefhebbers van verschillende smaken is niet mogelijk, en zelfs binnen groepen die (ongeveer) dezelfde voorkeur hebben, is uitwisseling problematisch, want over subjectieve kennis valt niet te twisten. Het kan wel, maar het is -in dit perspectief- zinloos. Ieder zijn eigen waarheid.

Alleen een subjectieve benadering biedt een zinvol perspectief voor astrologen

Er zijn veel astrologen die een objectieve, wetenschappelijke beoefening van de astrologie voorstaan, of die deze al dan niet bewust in de praktijk toepassen, bijvoorbeeld wanneer ze richtlijnen voorschrijven voor de duiding (‘men dient alleen het gelijke-huizensysteem te hanteren’, ‘voor het duiden van een aspect hanteert men maximaal een orb van 10 graden’, et cetera) of wanneer ze hun duiding van astrologische symboliek voor juister houden dan een alternatieve. Ook standaardduidingen -in bijvoorbeeld astrologische kookboeken- die empirische concreetheid nastreven of computerduidingen van astrologische symboliek kunnen worden beschouwd als objectieve benaderingen van astrologie.[vi] Ten slotte zijn ook astrologen die correlationeel astrologisch onderzoek doen en empirische regelmatigheden proberen te vinden op basis van astrologische symboliek, te plaatsen binnen deze benadering.

De aantrekkingskracht van objectiviteit is goed te begrijpen. Het lijkt immers een noodzakelijke voorwaarde om tot zoiets als een astrologische discipline te komen. Het geeft criteria voor goede en minder goede astrologie en voor hoe je tot astrologische kennis komt. Het maakt uitwisseling over astrologie mogelijk.

Niettemin denk ik dat deze benadering van astrologie weinig bruikbaar is om de redenen die hiervoor zijn genoemd: de royale aanwezigheid van symbolische realiteiten in astrologie, het tot op heden ontbreken van enige consensus over hoe astrologische symboliek toegepast moet worden en het na twee millennia nog steeds ontbreken van een gezonde, empirische basis.

Als reactie hierop kiezen astrologen soms voor een mix van objectiviteit en subjectiviteit. Deze astrologen kunnen zich bijvoorbeeld vinden in het Hermetische paradigma van de analogie (‘zo boven, zo beneden’), maar hanteren daarnaast wel allerhande objectieve criteria voor astrologiebeoefening en/of ze doen astrologisch onderzoek in de objectieve traditie. Filosofisch gezien is dit een kwestie van water en vuur mengen, want het object-perspectief staat haaks op het subject-perspectief: die twee sluiten elkaar op logische gronden uit. Met andere woorden: astrologen moeten kiezen, er zit niks anders op.

De subjectieve benadering heeft mijns inziens de betere kaarten. Veel astrologen voelen dit ook wel aan, maar zoals de historicus van astrologie, Jim Tester, ooit zei: astrologen lijken, ondanks de vaak felle kritiek op hun professie, als groep niet heel geïnteresseerd in het nadenken over de grondslagen van hun vak.[vii]

In de volgende paragraaf laat ik aan de hand van een concreet voorbeeld zien waarom een subjectieve benadering van astrologie mijns inziens beter past dan een objectieve.

De onbepaalde relatie tussen astrologisch symbool en empirisch verschijnsel

Bij het beschouwen van de relatie tussen astrologisch symbool en empirisch verschijnsel stuiten we op de eigen-aardigheid dat deze relatie wordt gekenmerkt door onbepaaldheid. Dat wil zeggen: het is niet mogelijk om vanuit een astrologisch symbool te komen tot de determinatie van specifieke empirische verschijnselen. Net zomin als het omgekeerde mogelijk is, om vanuit een specifiek empirisch fenomeen (als buitenstaander) te bepalen om welke astrologische symboliek het gaat. Als voorbeeld: het symbool Saturnus wordt empirisch aangeduid door een planeet, de tijd, de dood, vader, lood, et cetera. Het omgekeerde is ook aan de orde. Bijvoorbeeld de dood -als empirisch fenomeen- kan duiden op verlies (neptunus), het einde (Saturnus), onmacht (Pluto) en in voorkomende gevallen ook hoop of vreugde (Jupiter/Venus).

De onbepaaldheid van deze relatie is problematisch voor objectieve benaderingen van astrologie. Dit is ook de reden waarom empirisch onderzoek naar astrologie zelden tot resultaten leidt die wetenschappers kunnen bevredigen. Het onderliggende probleem is dat deze astrologen -meestal impliciet- een wereldbeeld hanteren dat de geestelijke realiteit van astrologische symboliek buiten beschouwing laat. Empirisch onderzoek beperkt zich namelijk tot (regelmatigheden in) de materiële realiteit. De vraag is echter of astrologische symboliek ten diepste verwijst naar de fysieke realiteit van planeten en sterren aan de zichtbare hemel of naar een geestelijke realiteit die schuilgaat achter deze ‘fysieke façade’.

Cornelius illustreert dit onderscheid wanneer hij wijst op het verschil tussen een empirische correlatie en een analogie. Een correlatie verwijst naar een objectief vastgestelde samenhang tussen empirische fenomenen, die bij voorkeur wordt onderbouwd met statistiek. Een analogie verwijst naar een geestelijk proces (van een astroloog) waarin symbolische en empirische fenomenen betekenisvol aan elkaar gekoppeld worden.[viii] Denk hierbij aan het synchroniciteitsbegrip van Jung, die dit concept ontdekte nadat zijn empirisch-statistische studie van astrologie was gestrand.[ix] Menig astroloog vervangt in astrologisch onderzoek gedachteloos de analogie door de correlatie, waarbij een geestelijke realiteit dus wordt vervangen door een fysieke.

Binnen subjectieve benaderingen van astrologie wordt het bestaan van een geestelijke astrologische realiteit expliciet als uitgangspunt genomen. Binnen het Hermetisme wordt bijvoorbeeld gesteld dat deze samengaat met een oneindig aantal potentiële manifestaties in de stof. Subjectieve benaderingen maken daarnaast duidelijk dat fenomenen in de stof hun betekenis enkel ontlenen aan de geestelijke dimensie van de realiteit. Met andere woorden, subjectieve benaderingen verschaffen ons een perspectief, of tenminste een begin van een perspectief, op de onbepaalde relatie tussen astrologisch symbool en empirisch verschijnsel. Objectieve benaderingen falen hier bij voorbaat, omdat hierin geen plaats is voor een geestelijke realiteit die schuilgaat achter de empirische verschijningsvormen. Zoals we hebben gezien is de fysieke façade van astrologische symboliek géén noodzakelijke voorwaarde voor het beoefenen van astrologie: tal van astrologen werken immers met astrologische symboliek die geen fysieke pendant kent in de vorm van planeten en sterren die aan de hemel te zien zijn.

Verschillende wegen naar de ‘Participation mystique’

Cruciaal in de subjectieve benadering is de astroloog, het ‘kennende subject’ dat een betekenisvolle verbinding legt tussen symbool en empirische realiteit. Laat de geestelijke dimensie en de toegang van de astroloog tot deze dimensie weg en het theoretisch én empirisch fundament onder astrologie vervalt.

De vraag die dan opkomt is: hoe werkt dit proces, hoe doet de astroloog dit? We kunnen ons immers niet verlaten op empirische wetmatigheden om de toepassing van astrologie te begrijpen. Jung is tot op heden één van de weinigen die hierover ‘getheoretiseerd’ heeft. Hij gebruikt een term van de Franse wetenschapper, Lucien Lévy-Bruhl, om dit mysterie van de astrologische duiding te omschrijven. Hij spreekt over een Participation mystique: een mystieke verbinding tussen mens en kosmos die diep in het onbewuste ligt. De symbolen van astrologie verschaffen de astroloog toegang tot deze onbewuste (geestelijke!) wereld.[x]

De concrete manier waarop astrologen toegang krijgen tot deze geestelijke wereld kan zeer verschillend zijn. Klassieke elementenleer biedt ons een handvat om dit te begrijpen. Sommige astrologen krijgen vooral toegang via de waarneming (aarde), anderen via het gevoel (water), het denken (lucht) of de intuïtie (vuur). Het ligt voor de hand te veronderstellen dat objectief georiënteerde astrologen de astrologie meer via het lucht- en aarde-element benaderen. Zij zijn de ‘wetenschappers’ onder de astrologen. De subjectief georiënteerde astrologen zullen meer via het  water- en vuurelement tot hun kennis van astrologie komen. Dit gegeven verklaart waarom er zulke uiteenlopende benaderingen van astrologie bestaan. Let wel: deze verschillen verwijzen naar epistemologie (de wijze waarop astrologen tot kennis van astrologie komen) en niet naar ontologie (hoe we de astrologische realiteit zien).

Slotbeschouwing: het herontdekken van een voedingsbodem voor astrologie

Het voorgaande overziend zouden astrologen het mijns inziens eens moeten kunnen worden over de ontologische status van de astrologische realiteit. Namelijk dat er een geestelijke realiteit bestaat, dat astrologische symboliek hiervan onderdeel uitmaakt en dat deze symboliek in een betekenisvolle verbinding staat met fenomenen in de stof die we kunnen waarnemen. Wie dit onderschrijft, zal afstand (moeten) doen van de objectieve kennisclaim in de astrologie, want die staat haaks op deze uitgangspunten.

De fundamentele kritiek op de subjectieve benadering is dat toetsing van kennis en uitwisseling problematisch zijn, omdat elke astroloog zijn/haar eigen werkelijkheid en waarheid ervaart. Vragen als: klopt deze astrologische interpretatie? En welke van deze twee uiteenlopende interpretaties is te verkiezen? kunnen niet goed worden beantwoord binnen deze benadering. Het ontbreekt eenvoudig aan een gedeeld referentiekader. Het roept ook vragen op over hoe astrologie wordt overgedragen en geleerd. Duidelijk is dat kennisoverdracht van astrologie in deze optiek niet enkel kan verlopen via het verstand en de zintuiglijke waarneming. Hoe dit dan wel gaat, is wederom een vraag die nog op een goed antwoord wacht. Het zijn dit soort lastige vragen die astrologen door de eeuwen heen ertoe gebracht hebben hun heil te zoeken in objectieve astrologische kennis.

In mijn visie zijn op dit soort vragen alternatieve antwoorden te formuleren, mits we ons (opnieuw) oriënteren op gedachtegoed dat past bij astrologie, dat de astrologische realiteit adequaat kan beschrijven en verklaren, zoals het Hermetisme. Teksten uit deze traditie laten ons bijvoorbeeld zien dat er een onderscheid te maken is tussen ‘zien’ -d.w.z. weten- met de ogen en ‘zien’ met de geest (of het hart, de waarnemer van het geestelijke):

“De geest ziet alles, de ogen zien alle lichamelijke dingen. En toch wordt de geest niet een waarnemer voor de ogen, maar de ogen worden dit voor de geest.” [xi]

Dat zien in de geest of het weten van het hart levert intrinsiek subjectieve waarheden op, maar wel waarheden die levend zijn, dat wil zeggen kennis die de mens in beweging brengt. Dit zou je het hoogste potentieel van Hermes/Mercurius kunnen noemen: kennis die ons diepgaand verandert en ons bewustzijn verruimt. Kennis ook die eerder ontvangen en herkend wordt dan aangeleerd. Want ook dat leert de Hermetica ons: deze geestelijke kennis is al in ons aanwezig. Ze dient alleen ont-dekt te worden. Astrologische kennis is mijns inziens van deze aard. Het opent zich voor de verlangende ziel, die de waarheid van deze kennis in zichzelf herkent. En dit geldt zowel voor de astroloog, voor de cliënt als voor de buitenstaander. Met andere woorden, ook deze subjectieve kennis kan een gedeelde ervaring opleveren, het is dus niet anything goes. In het Nieuwe testament staat een uitspraak van Jezus die aan deze manier van waarheidsvinding refereert, vrij vertaald: ‘aan de vruchten, herkent men de boom’ (Mattheüs 7: 15-20).

Hiervoor schreef ik dat astrologen zich ‘opnieuw’ zouden moeten oriënteren op hun grondslagen, omdat in mijn waarneming veel hedendaagse astrologiebeoefening is losgeraakt van haar filosofisch-religieuze voedingsbodem. Rationalisme en empirisme kunnen deze voedingsbodem niet bieden. Het wereldbeeld dat hieraan ten grondslag ligt, de ontologie, is ontoereikend. Voor mij is de natuurlijke voedingsbodem van astrologie het Hermetisme. Het gedachtegoed dat ons het inzicht gaf dat alles wat beneden is gelijk is aan wat boven is. Het heeft de astroloog echter veel meer te bieden. Dit gedachtegoed informeert ons over wat astrologie is, hoe het wordt geleerd, hoe het werkt en het verschaft haar beoefenaren daarnaast ook een moreel kompas. Astrologische kennis dient namelijk een doel: geestelijke verlichting ofwel de kennis van God en de schepping bevorderen door het vergoten van zelfkennis. Binnen het Hermetisme staat (werkelijke) zelfkennis gelijk aan kennis van God.

Noten

[i] Ptolemaeus, C. (1940). Tetrabiblos (Boek III:3). Loeb Classical Library. Cambridge MA/London UK: Harvard University Press.

[ii] Zie bijv. Broek, R. van den & G. Quispel. (2016). Hermetische geschriften. Amsterdam: In de Pelikaan.

[iii] Cornelius G. (2013) Astrology, Imagination and the Imaginal. Canterbury, UK: Canterbury Christ

Church University.

[iv] Zie bijv. Kelly IW. (2005) The Concepts of Modern Astrology; A Critique (update from article in Psychological

Reports, 2001: 81, 1035-1066). Available at: http://www.astrology-and-science.com/Aconc2.

htm.

[v] Het werk van de Franse statisticus Michel Gauquelin wordt altijd genoemd als de uitzondering op de regel. Hij toonde statistische verbanden aan tussen planeetstanden en de levensloop van mensen. Het meest beroemd is zijn ‘Mars-effect’: in de horoscopen van atleten tref je vaker dan de kans de planeet Mars aan op de Ascendant (in het 12e huis!) of het MC. Overigens wordt ook dit resultaat in twijfel getrokken door statistici. Zie: Gauquelin M. (1994) Cosmic Influences on Human Behavior; The planetary factors in personality, Santa Fe, N.M.: Aurora.

[vi] Hierbij moet worden aangetekend dat standaardduidingen, d.w.z. duidingen van het type ‘als je dit astrologisch symbool ziet, dan betekent het dat’, sterk kunnen verschillen in de mate waarin ze empirische concreetheid nastreven. Hoe groter de nagestreefde empirische concreetheid, hoe objectiever de benadering.

[vii] Tester SJ. (1987) A History of Western Astrology. Woodbridge: Boydell Press.

[viii] Cornelius, G. (2013). Ibid.

[ix] Jung, C.G. (1960). Synchronicity: An Acausal Connecting Principle. Princeton N.J.: Princeton university Press.

[x] Jung, C.G. ([1921] 1971). Psychological Types, Collected Works, Volume 6, Princeton, N.J.: Princeton University Press. Meer recent heeft ook de Amerikaanse cultureel antropoloog Barbara Tedlock een poging gedaan om het proces van divinatie (waarzegkunst) in kaart te brengen. Zie: Tedlock, B. (2006). Toward a Theory of Divinatory Practice. Anthropology of Consciousness, vol. 17, nr. 2, 62-77.

[xi] Ontleend aan: Broek, R. van den & G. Quispel. (2016). Ibid.

Dit artikel verscheen in ASAScoop, nr. 1, mei 2020.